Dominica
Dominica werd door de Carib-Indianen 'waitoekoeboeli'('lang is haar lichaam') genoemd. Dominica meet 47 bij 26 km en de Morne Diablotin (1447m), die op slechts 5 km van de kust ligt, is de hoogste top in het bergachtige binnenland. Het ruige centrale gebergte dat van het noorden naar het zuiden loopt is gemiddeld zo'n 900 meter hoog. Dominica is rijkelijk bedeeld met natuurschoon. Het eiland bezit een van de weinige ongerepte regenwouden ter wereld, meer dan duizend bloeiende planten, een kokend meer, meer dan 300 rvieren en bijna evenveel watervallen, die in glinsterende zilveren nevels van de bergen af razen. Het onderwaterlandschap voor de kust is net zo adembenemend en zorgt ervoor dat Dominica snel een reputatie krijgt als duikbestemming.
Van de 71.000 inwoners is 98 procent zwart en het merendeel katholiek. De meesten ploeteren op het land. Ondanks haar grote schoonheid is Dominica een van de armste eilanden van het Caribisch gebied. Een van de laatst overgebleven Carib-gemeenschappen ter wereld is het Carib Territory in het noord-oosten. Haar belangrijkste bron van inkomsten is kleinschalige landbouw en visserij, aangevuld met huisnijverheid. De weinige stranden op Dominica zijn vaak smalle stroken grijs vulkaanzand. Het toerisme staat dan ook nog in de kinderschoenen. Er zijn op Dominica slechts zo'n 700 hotelkamers en de faciliteiten zijn doorgaans bescheiden. Voor de avontuurlijke reiziger die wil wandelen, duiken en rondneuzen zonder de bekende toeristische uitwassen, is het eiland daarentegen een paradijs.
Dominica ligt tussen de Franse eilanden Guadeloupe en Martinique. Columbus voer in november 1493, tijdens zijn tweede reis naar de Nieuwe Wereld, langs de noordpunt van Wai'toekoeboeli. Het was zondag en dus doopte hij het Dominica. Hij schreef in zijn dagboek dat het eiland opmerkelijk mooie bergen had en dat men ze gezien moest hebben om het te geloven. Men zegt dat hij ze nog steeds zou herkennen. Rond 1750 eisten Franse kolonisten Dominica op, maar in 1763 stonden ze het bij het verdrag van Parijs af aan de Britten. Ondanks honderd jaar van Franse overvallen, slavenopstanden en aanvallen van bendes marrons - ontsnapte slaven die in de vrijwel ondoordringbare bergen leefden - waren de Britten er min of meer de baas. Vanaf het midden van de 19e eeuw tot 1939 werd Dominica bestuurd samen met de Leeward Islands. Toen ging het over naar de Windward Islands. In 1978 werd Dominica onafhankelijk en twee jaar later koos men er de eerste vrouwelijke premier van de Caribische eilanden, Eugenia Charles. Zij ging in 1955 op 76-jarige leeftijd met pensioen.
De hoofdstad van het eiland, Roseau, is een kleine, door het weer geplaagde stad en cruisehalte met 20.000 inwoners. Roseau ligt aan de zuidwestkust aan de monding van de rivier de Roseau. In de rivier bevinden zich in het binnenland de Trafalgar Falls, een van de populairste toeristische attracties van Dominica. Het nabijgelegen dorpje Laudat is het beginpunt van de wandelingen door het Morne Trois Pitons National Park. Ten zuiden van  Roseau liggen aan zee bij Castle Comfort verscheidene hotels en duiklocaties. Smalle wegen lopen langs de kust naar de zuidpunt van het eiland.

Bovenstaand komt uit mijn reisgids, National Geogrpahic de Caribische eilanden.
Klik op de foto's voor meer